Formatief handelen (vervolg van 1) met een paar voorbeelden, wiskunde, hoeken, klas 1, vwo+. En onderaan toch de wens om voldoende frequent summatief te toetsen.
Nadat bekend is dat een hoek een draaiing is, deze gemeten kan worden linksom en rechtsom, ik heb voorgedaan hoe je in beide gevallen je geodriehoek moet neerleggen, gevraagd heb naar wat er mis kan gaan, zet ik de leerlingen niet aan het werk met het boek maar ga ik formatief handelen. Hoe ziet dat eruit? Drie voorbeelden.
1. In plaats van sommen maken uit het boek, teken ik er eentje op het bord. Op ruitjes papier. Allemaal dezelfde hoek, hokjes tellen, ene been 3 naar rechts, 2 naar boven, andere been 1 naar links, 4 omhoog. Scherp potlood, strakke tekening, benen verlengen, geo leggen en meten maar. Ondertussen bereken ik op 1 decimaal de grootte van de hoek. Sommige leerlingen heel nieuwsgierig: "Nee, dat is voor later. Eerst leren meten. Berekenen komt in de bovenbouw".
Tijdens langslopen kom je wat tegen. Natekenen blijkt al lastig. Verkeerd hokjes geteld, lijnen niet door de juiste roosterpunten, ongeslepen potloden, benen niet verlengd, geo verkeerd afgelezen. Twee keer laten nameten, draaiing linksom en draaiing rechtsom, en laten vergelijken met hun buur.
Wat is daar formatief aan? Nou, als linksom meten niet dezelfde hoek geeft als rechtsom, of hetzelfde is van de buur, of niet hetzelfde is als het uiteindelijk berekende antwoord op het bord, dan is dat drie maal confronterend, zonder dat ik het getoetst heb. Is dit wel of geen voorbeeld van ‘formatief handelen? In ieder geval is het behoorlijk docent gestuurd, niet boek gestuurd, waarbij zowel opdracht als observaties het verdere verloop van de les bepalen. Ik heb ze geconfronteerd met het juiste antwoord. "Zorg ervoor dat je hetzelfde hebt. Je mag er maximaal 1 graad naast zitten." En daarna nog een hoek, en nog een hoek. Je hoopt dat je aan hoek groter dan 180 graden toekomt? Formatief handelen kan als je niet oppast de boel behoorlijk vertragen. Na de les nog leerlingen aan mijn tafel gehad, en op steunles nog een paar. Na 1 les moet een vwo-plusser toch eigenlijk wel een hoek kunnen meten.
2. Les erop moeten ze niet meer hoeken meten maar tekenen. Weer wijk ik af van het boek. De opdracht is nu: teken allemaal een willekeurige driehoek, liefst een andere dan je buurman, kijk maar niet, en meet de drie hoeken van jouw driehoek. Tel ze bij elkaar op, loop naar het bord en schrijf alleen de hoekensom op het bord. Bij iedere hoek mag je er 1 graad naast zitten. Als je klaar bent ga je je buren checken en helpen. Volgens mij een goed voorbeeld van formatief handelen. Zonder een stapel nakijkwerk zie je wie nog geen hoeken kan meten. Niet alleen omdat ik langsloop en leerlingen zie knoeien, maar ook aan de hoekensom natuurlijk. Na verloop van tijd komen er helaas enkele sociaal wenselijke antwoorden op het bord, maar sommige leerlingen zijn eigenwijs en claimen een hoeksom ver naast de 180 graden. Die roep ik nog even aan mijn tafel, soms na de bel, anders in een steunles. Want met de meute gaan we natuurlijk ons vermoeden bewijzen, ja een beknopt lesje over definitie, axioma, stelling, bewijs. Hun eerste bewijs. Gestekte hoek komt voorbij, overstaande hoeken, F-hoeken en Z-hoeken, niet voor de toets. Nee, absoluut nog niet. Maar het is exact 180 graden, niet 179,99. Q.E.D. Alvast iets in de week leggen, verwonderen, uitdagen, ik zou niet weten hoe ik anders de echte vwo-plusser kan blijven boeien. Echt een verschil met havo. Dan heb je hopelijk extra lessen voor oefenen, repareren, ondersteunen, herhalen. Die tijd heb ik niet, maar toch houd ik de opdracht hoekensom meten erin. Een prima voorbeeld van formatief handelen volgens mij die weinig extra tijd kost. Ik hield zelfs ruimte over om die les iets extra's te doen.
3. De les erop bespreking opgaven 38, de vijfpuntige ster.

Nu de leerlingen weten dat de hoekensom van iedere driehoek 180 graden is, kunnen we ook even aan de vijfpuntige ster rekenen. Hoeken regelmatige vijfhoek uitrekenen tot en met de hoeken in de punten, dat lukt aardig met vereende krachten maar navertellen op de toets hoeft nog niet. Doel is de ster natekenen. Met de berekende hoeken en een beetje oog voor symmetrie lukt het de meesten. Als formatieve opdracht laat ik ze daarna een eenvoudigere variant: een regelmatige vijfhoek tekenen, op een proefwerkblaadje, ruitjes papier, zijden 4 cm, hoeken 108 graden. Daarna uitknippen en checken of de (draai)symmetrie klopt. Past ie na draaien 5 keer door het gat? Confronterend hoor. Net zolang proberen tot het lukt, want deze opdracht komt met 100% zekerheid op de toets. Ik kom tijd te kort om altijd maar adequaat te handelen, leerlingen te helpen, dus ik heb bij een enkeling ook de ouders nodig, klasgenoten, een steunles, mijn pauze. Ieder jaar glippen een paar er tussendoor, maar de meeste leerlingen kunnen na hoofdstuk 5 een hoek van 108 graden tekenen. Voor wie dat nog niet kan, heb ik de summatieve toets nodig om dat zichtbaar te maken.
Ik bedoel maar: docenten hebben het druk. Formatief handelen vind ik prachtig, maar niet iedere les, niet bij elk leerdoel. Leerlingen (zelfstandig) leren studeren is toch waar we heen moeten. Je kunt domweg niet tot de eindstreep de volledige controle houden. Laat ze beetje bij beetje los, laat ze naar je toe komen, laat ze de nodige ondersteuning ook bij je halen, niet álles hoeven we te brengen tot aan de voordeur. En ook niet iedereen hoeft ieder leerdoel te halen. Verschillen in affiniteit en ook in beheersing mogen er zijn. Het spel dat leerlingen moeten spelen is jongleren, alle ballen in de lucht houden, voor alle vakken. Het hoeft allemaal niet perfect, waterdicht. Summatieve toetsen vind ik nodig blijven om de ondergrens te bewaken en ook leerlingen een helder signaal te geven of ze nog op de rails zitten. Met een 5.5 moet een wel echt voldoende geleerd zijn, dus mogen in het proefwerk ook vragen voor de 8, 9 en 10 zitten, die niet iedereen zal halen, uiteraard om voor iedereen uitdagend te zijn. Omdat per onderwerp de cesuur lastig vast te stellen is, soms zit je te hoog, soms zit je te laag, pleit ik voor voldoende vaak summatief toetsen. Te hoog, te laag middelt zich dan weg. Leerlingen krijgen dan op tijd een signaal of er aan knoppen gedraaid moet worden, en wordt de druk per toets gereduceerd omdat het deel op het totaal minder groot is. Ik pleit ook voor criterium gerichte toetsen, voor een absolute lat, anders krijgen doorstroomcijfers en examenresultaten te veel vat op de inhoud. Ik toets het liefst na een afgerond geheel, van voorkennis ophalen tot en met de gemengde opdrachten plus eigen toevoegingen, dan kun je daarna aan de slag met vragen verzinnen voor de voldoende, de ruim voldoende, goed, zeer goed en uitmuntend. Differentiëren dus op beheersing, niet op aanlooproute, zoals nu trendy is bij gepersonaliseerd leren.