zondag 2 november 2014

Rekentoets V

Hier enkele citaten uit het rapport van de commissie-Bosker (bron)
(aantekeningen DD 31-05-2014)

p.7
De commissie is gevraagd om op de volgende vragen een antwoord te formuleren:
1. Is er bij de rekentoetsen vo en de examens mbo sprake van een goede operationalisering
van de referentieniveaus?
2. Op welke punten schiet die operationalisering tekort?
3. Welke aanbevelingen doet de commissie voor toetsontwikkeling vanaf 2014-2015?

Bij de vraag aan de commissie is als afbakening van de opdracht aangegeven, dat het advies
geen betrekking heeft op:
- de inhoud van de referentieniveaus zelf;
- het afzonderlijk toetsen van rekenen als onderdeel van het eindexamen vo of mbo;
- het meewegen van de rekentoets en coe in de slaag-/zakbeslissing;

- de niveaus die voor de schoolsoorten zijn vastgesteld.


p.13
De inhoud van referentieniveau 3F verschilt weinig van 2F. Het verschil bestaat eruit dat het bij
3F gaat om een hogere mate van complexiteit in situaties dan bij niveau 2F

p.19
Inhoudelijk blijkt er niet veel verschil te zijn tussen 2F en 3F en dat roept meteen de vraag op
wat 3F dan onderscheidt van 2F. Het verschil tussen deze twee niveaus zit (zowel volgens de
rekentoetswijzercommissie (vo) als de -syllabuscommissie (mbo)) in de mate van complexiteit in
situaties waarin het rekenen moet worden toegepast. Bij niveau 3F gaat het om rekenen in
meer complexe situaties dan bij 2F. Om dat type problemen op te lossen zijn
domeinoverstijgende vaardigheden nodig. Met de denk- en rekenstappen (vaardigheden) zoals
geformuleerd in de rekentoetswijzer 3F (vo) en de kenmerken van complexiteit zoals
geformuleerd in de rekensyllabus 3F (mbo), kunnen problemen in complexe situaties worden
opgelost. In de rekensyllabus 3F is expliciet opgenomen dat elke opgave enkele van de
kenmerken van complexiteit bezit. Dat laatste lijkt er ook voor te zorgen dat het coe 3F afwijkt
van de rekentoets 3F en door velen als moeilijker en gekunstelder (met meer denkstappen) wordt ervaren. Daarbij komt dat het onduidelijk is of alle kenmerken van complexiteit een even
zwaar gewicht krijgen in de opgaven.
Haal alle gekunstelde denkstappen uit de toetsopgaven van de rekentoets en het coe 3F.
Zorg dat het in samenhang toetsen van meerdere vaardigheden in de rekentoets en het coe
voortaan op basis van dezelfde stappen/kenmerken van complexiteit gebeurt. Ga daarbij na of
alle onderdelen evenredig aan de orde komen in rekentoetsen/coe's.

p.21
Neem in de rekentoetsen en coe's ook opgaven op die geen betrekking hebben op het toetsen
van meerdere (domeinspecifieke en domeinoverstijgende) vaardigheden in samenhang en op
het eindniveau, zodat met eenvoudigere contexten gewerkt kan worden. Gebruik van de
rekenmachine kan bij (een deel van) deze eenvoudigere opgaven uitgesloten worden, mits dat
verantwoord is gezien de gebruikte getallen die in de opgaven voorkomen en de bewerkingen

die nodig zijn om de opgaven op te lossen.

p.22
Als we naar de resultaten op de pilottoetsen van de afgelopen jaren kijken dan lijkt de lat
voorlopig te hoog te liggen, immers een substantieel deel van de leerlingen lukte het niet om die
cesuur te halen. Dat er maar één referentiecesuur 2F is, omdat er maar één referentieniveau 2F
voor verschillende subgroepen in vmbo wettelijk is vastgelegd maakt het extra lastig. De
verschillende subgroepen in vmbo variëren sterk in behaalde resultaten op de rekentoets.
Hetzelfde, het hebben van één referentieniveau en grote verschillen in resultaten op de
rekentoets/coe's, kan mutatis mutandis gezegd worden over mbo 2 en 3 (2F) en over havo, vwo

en mbo 4 (3F).

p.22/23
Als we naar de resultaten op de pilottoetsen van de afgelopen jaren kijken dan lijkt de lat
voorlopig te hoog te liggen, immers een substantieel deel van de leerlingen lukte het niet om die
cesuur te halen. Dat er maar één referentiecesuur 2F is, omdat er maar één referentieniveau 2F
voor verschillende subgroepen in vmbo wettelijk is vastgelegd maakt het extra lastig. De
verschillende subgroepen in vmbo variëren sterk in behaalde resultaten op de rekentoets.
Hetzelfde, het hebben van één referentieniveau en grote verschillen in resultaten op de
rekentoets/coe's, kan mutatis mutandis gezegd worden over mbo 2 en 3 (2F) en over havo, vwo

en mbo 4 (3F).
De verwachting is dat de referentiecesuur voor een groot deel van de vo-leerlingen op termijn
gehaald kan worden. Die leerlingen zullen zich voor wat het vmbo betreft met name bevinden in
vmbo-tl en in mindere mate in vmbo-kb. Wij merken op dat de Expertgroep Doorlopende
Leerlijnen Rekenen en Taal als oogmerk had dat het 2F-niveau voor een belangrijk deel
overeen zou stemmen met de rekenonderdelen van het wiskunde-examen voor vmbo-bb en
vmbo-kb. Nu niet alleen de vmbo-bb, maar ook de vmbo-kb leerlingen het relatief minder goed
doen op de rekentoetsen dan op dat examen, is er volgens ons alle reden toe nader onderzoek
te laten doen naar de oorzaken van deze discrepantie. Op basis daarvan zal bekeken moeten
worden wat dit betekent voor de rekentoetsen en/of de referentiecesuur.
De verwachting is dat ook op termijn de huidige referentiecesuur van 2F voor een deel van de
vmbo-bb leerlingen te hoog ligt.
De beslissing om vast te houden aan de referentiecesuur roept op z'n minst de vraag op of die
lat, hoe nastrevenswaardig ook, voorlopig niet veel te hoog is gelegd. Om die reden stellen we
voor om de referentiecesuur voorlopig niet in beton te gieten, maar het onderwijs de
gelegenheid te geven om daar in een aantal jaren naar toe te groeien. De komende jaren zal
immers nog moeten blijken of het door de deskundigen bepaalde niveau ook daadwerkelijk

haalbaar is. Het leggen van die lat is immers mensenwerk.

p.22/23
Niveau 2F is het algemeen maatschappelijk niveau en is gedefinieerd op het niveau van het
rekendomein van het examenprogramma wiskunde voor vmbo bb en kb.
Leg de referentiecesuur voorlopig niet als in beton gegoten vast, maar laat die in de loop van de
tijd geleidelijk toegroeien naar het gewenste niveau en evalueer deze cesuur regelmatig.
Maak met goede inhoudelijke omschrijvingen en geïllustreerd met voorbeeldopgaven helder
waar de referentiecesuur ligt.
Onderzoek de discrepantie tussen de vmbo wiskunde-examens en de rekentoets (en de
verschillen in resultaten) en bezie wat dit betekent voor de rekentoetsen en/of de

referentiecesuur.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten