zondag 24 augustus 2014

Het coördinatiedilemma

Nu het onzekerheidsprincipe van de leraar zwart op wit staat, moet ik mijn eigen worsteling met het coördinatiedilemma ook maar eens opschrijven. Als ik naar G1, G2, G3 wiskunde op onze ELO kijk, dan denk ik dat ik zelf niet zou willen werken op die school, zo rigide. Heb ik dan nog wel vrijheid om iets nieuws te doen, iets nieuws uit te proberen, oude ervaringen (succeservaringen) mee te nemen? Is er wel ruimte voor mijn eigen stijltje? Sta ik wel achter de gekozen didactiek en opbouw?

Telkens als (of zelfs voordat) er nieuwe docenten bij ons op school komen, waarschuw ik ze dat we bij wiskunde redelijk veel met ICT doen, dat we het boek vaak los laten, dat de lesvoorbereiding ook in de onderbouw veel tijd kost, dat we ondanks de alternatieve route die we volgen, we wel allemaal zo'n beetje hetzelfde doen, dat we leerlingen met min of meer dezelfde voorkennis aan elkaar willen kunnen overdragen. En terwijl ik het zeg en nu opschrijf, denk ik, wat een kolder. Niemand ontwikkelt zich hetzelfde.

Toch coördineer ik de onderbouw vrij strak. Met 3 lessen wiskunde per week en een krappe jaarplanning krijg je anders het jaarprogramma niet af. Een lesje extra uitweiden over Archimedische lichamen, of na een proefwerk leerlingen een extra dagje huiswerkvrij geven, en leerlingen missen lessen die verderop gepland zijn. Echter de planners die ik aandraag hoeven niet per se gevolgd te worden, je kan er naar hartelust in of mee rommelen, je mag ze ook mooi vormgeven met je eigen logo erop, maar de leerdoelen liggen per hoofdstuk vast, en het aantal lessen per hoofdstuk ook, zodat we allemaal dezelfde proefwerken kunnen geven dat jaar. Waarom, weet ik eigenlijk niet. Is dat wantrouwen? Als je het niet aanstuurt, dat iedereen maar wat aanklooit en niemand het afkrijgt, dat je collega's de uitgestippelde 'groene' route laten voor wat het is en automatisch zullen terugkeren naar de snelweg richting eindexamen, die van het boek?

Wie ben ik om te beweren dat onze route beter of mooier is dan de met veel zorg gekozen en geteste routes van de bekende methodes. Elk landschap kent prachtige snelwegen. Maar daar gaat het niet om denk ik. Zowel Getal en Ruimte als Moderne Wiskunde vind ik prachtige methodes, beide met hun eigen plus en minpunten. Iedere docent ziet die plus en minpunten anders. Het gaat er niet om wat goed of slecht is, het gaat erom of je er samen iets mee kunt. Daar zit het 'm in, denk ik: samenwerken, matchen, afstemmen. Het is bijna trouwen. Je moet in een gemeenschap toch in zekere zin samen door één deur kunnen. Als de hele vakgroep in de onderbouw kiest voor Getal en Ruimte, dan kun je moeilijk in je eentje Moderne Wiskunde aanhouden. Dat is niet handig. Dat is dwars en te eigenzinnig. Maar geldt dat niet voor iedere uitgestippelde route? Als je als nieuwkomer niet wil uitproberen wat er ligt, direct je eigen weg kiest, of het bij voorbaat al beter weet, dan kan dat tot behoorlijke wrijving leiden, en als je niet oppast tot een scheiding, en als dat niet meer mogelijk is, tot gescheiden wegen. Zelfs dan nog geen man of vrouw overboord, er zijn immers meer prachtige  wegen die naar Rome leiden. Maar ja, je probeert het toch maar, je ideale partners vinden, of het nu je partner betreft met wie je kinderen wilt krijgen of je collega's met wie je een belangrijk ander deel van je leven deelt. Het blijft lastig, en dun gezaaid :-).

Ik moet nog wel kwijt dat hoe rigide de planners op onze ELO ook lijken, er absoluut ruimte is voor verandering. Elk jaar hetzelfde rondje om de vijver, daar word ik niet echt vrolijk van, zelfs niet als het m'n eigen rondje is. Samen probeer je de zwakke punten er uit te halen, verbeteringen toe te voegen en de boel te onderhouden . Ruimte voor een (individueel) experiment is er absoluut, als je maar weet waar je samen naar toe wil, elkaars wegen kent en ook in staat bent om bij te sturen. Dat moet natuurlijk, want geen dag, geen les is hetzelfde.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten